Home › Kennisbank › Regelgeving
Als mede-eigenaar heeft u het recht om op eigen kosten een laadpunt te plaatsen voor uw eigen staanplaats. De algemene vergadering kan dat niet zomaar tegenhouden. Wel moet u de juiste procedure volgen, en kan de vereniging van mede-eigenaars zich op drie welomschreven gronden verzetten.
Hieronder staat wat de wet u toelaat, hoe de kennisgeving verloopt, wanneer de vereniging zich wél mag verzetten, en welke keuze tussen een eigen en een gedeelde installatie later het zwaarst doorweegt.
Artikel 3.82, §2 van het Burgerlijk Wetboek geeft elke mede-eigenaar het recht om op eigen kosten werken uit te voeren aan de gemene delen, wanneer die werken de infrastructuur van het gebouw optimaliseren. Een laadpunt plaatsen valt daaronder.
Dat recht is niet afhankelijk van een goedkeuring door de algemene vergadering. U vraagt geen toestemming: u brengt de vereniging op de hoogte, en zij kan zich verzetten of niet.
Dat onderscheid is belangrijk. In veel gebouwen botsen bewoners op een syndicus of een vergadering die het dossier op de lange baan schuift. Juridisch hoeft u daar niet op te wachten.
1. Verstuur een aangetekende kennisgeving. Die gaat naar de syndicus wanneer er een vereniging van mede-eigenaars bestaat, of naar alle mede-eigenaars afzonderlijk wanneer dat niet zo is.
2. Respecteer de termijn van twee maanden. De kennisgeving moet minstens twee maanden voor de start van de werken verstuurd worden.
3. Beschrijf de werken concreet. Uw brief moet beschrijven wat u precies gaat doen, en motiveren waarom het de infrastructuur van het gebouw optimaliseert. Een vage melding volstaat niet.
4. Wacht de verzettermijn af. De vereniging heeft twee maanden om zich per aangetekend schrijven te verzetten. Komt er niets, dan kan u aan de slag.
De wet somt de gronden limitatief op. De vereniging kan zich enkel verzetten wanneer:
Voor zo’n verzet is een beslissing nodig van de algemene vergadering, met een gewone meerderheid. In de praktijk betekent dat vaak een buitengewone vergadering binnen de termijn van twee maanden.
De eerste grond is in de praktijk de belangrijkste. Heeft het gebouw al een collectieve laadinfrastructuur waar u op kan aansluiten, dan kan de vereniging u verwijzen naar die infrastructuur in plaats van een eigen installatie toe te laten.
Er zijn twee manieren om laden in een appartementsgebouw te organiseren, en ze lopen technisch en financieel sterk uiteen.
| Individuele aansluiting | Collectieve infrastructuur | |
|---|---|---|
| Aansluiting | Op de privételler van de bewoner | Op een aparte aansluiting voor de parking |
| Wie betaalt de aanleg | De bewoner alleen | De vereniging, of de deelnemende bewoners |
| Wie betaalt het verbruik | De bewoner, via zijn eigen factuur | Per bewoner afgerekend op basis van gemeten sessies |
| Beslissing | Kennisgeving, geen goedkeuring | Beslissing van de algemene vergadering |
| Bij de derde of vierde bewoner | Elke keer een nieuwe kabelweg | Aansluiten op wat er ligt |
De eerste bewoner die een laadpunt wil, kiest bijna altijd voor een individuele aansluiting: het is sneller en hij hoeft niemand te overtuigen. Vanaf de derde of vierde aanvraag kantelt de rekening. Dan liggen er vier aparte kabelwegen door dezelfde parkeergarage, terwijl één gedeelde basisinfrastructuur goedkoper en netter was geweest.
Gebouwen die vooruit denken, leggen die basisinfrastructuur één keer aan: een aansluiting, een centrale verdeling en een kabelgoot langs alle staanplaatsen. Wie een laadpunt wil, sluit erop aan en betaalt zijn eigen paal en zijn eigen verbruik.
Bij een individuele installatie is het eenvoudig: de bewoner betaalt de paal, de kabel, de plaatsing en zijn verbruik. Hij draagt ook de kosten van herstel wanneer hij de installatie later weghaalt.
Bij een collectieve installatie zijn er drie posten die apart afgesproken moeten worden:
Dat laatste punt is waar het in de praktijk fout loopt. Zonder meting per laadpunt belandt het verbruik in de gemeenschappelijke kosten, en dan betaalt de bewoner zonder elektrische wagen mee. Een systeem dat elke sessie apart meet en toewijst, lost dat op. Bij ons loopt die afrekening via het Greenline-portaal, zodat elke bewoner enkel zijn eigen kilowattuur betaalt.
Dit is de vraag die zelden op voorhand gesteld wordt. Spreek op voorhand af of de installatie bij de staanplaats blijft of met de bewoner mee verhuist, en leg dat vast. Bij een collectieve infrastructuur ligt dat eenvoudig: de basisinfrastructuur blijft, de volgende eigenaar sluit er gewoon op aan.
Voor syndici en verenigingen van mede-eigenaars tekenen wij de volledige opzet uit — van de hoofdaansluiting tot de afrekening per bewoner. Dat vindt u bij laadpalen voor VME’s en syndici.
Twijfelt u of dit op uw situatie van toepassing is? Stuur ons uw situatie door, dan rekenen we het uit.